Terug naar 'de beagle'

De Beagle behoort tot een zeer oud type hound, maar waar precies de oorsprong van het ras Beagle ligt is niet bekend. Als we uitgaan van de eerste keer dat de Beagle bij naam wordt genoemd, dan moeten we veronderstellen dat dit in de regeringsperiode van Koning Henry VII (1457-1509) is geweest. Evenzo verwijst de Oxford English Dictionary (OED) naar deze periode waar het woord Beagle voor het eerst in de literatuur voorkomt.

In the Squire of Low Degree (1475) staat te lezen: "With theyr begles in that place, And sevenscore raches at his rechase."

De OED stelt verder dat de naam Beagle zeer waarschijnlijk is afgeleid van het franse beguele, wat "open keel" betekent. Koning Henry VIII (1509-1547) had kennelijk eveneens een meute kleine hounds, aangeduid met Beagles, getuige aantekeningen in zijn privé-boekhouding waarin sprake is van betalingen aan Robert Shere, "Keper of the Begles". Vanaf dit moment is de Beagle in ieder geval vele decennia onverbrekelijk verbonden met het Engelse koningshuis. De meest bekende zijn waarschijnlijk de pocket Beagle van Queen Elizabeth I (1533-1603).

Het lijkt waarschijnlijk dat reeds ver voor Henry VII er kleine hounds waren waarmee in meute verband werd gejaagd. Zo brachten de Romeinen in het jaar 43 kleine hounds mee, die ongetwijfeld nageslacht voorbrachten door kruisingen met de lokale engelse honden.

Als we nog verder in de geschiedenis terug gaan komen we de Cynegeticos tegen, een uitgebreide verhandeling van de Griekse auteur Xenophon, een leerling van Socrates (350BC). Vrij vertaald betekent Cynegeticos: "Verhandeling over het jagen". Het interessante aan deze verhandeling is de wijze waarop met een groep kleine hounds gejaagd wordt op hazen en konijnen terwijl de jagers te voet volgen. Xenophon beschrijft zelfs waaraan de honden moeten voldoen, welke dracht de jagers moeten dragen en welke hulpmiddelen de jagers moeten hebben voor het daadwerkelijk vangen van het wild. De Cynegeticos is daarom ook meer een handleiding over de jacht en de keuze van honden dan een beschrijving van een lokale gewoonte. De overeenkomsten met Beagling zijn ook opmerkelijk, afgezien van de netten die hij beschrijft als noodzakelijk hulpmiddel voor de jagers.

Latere Griekse auteurs, Oppian (195 nC Cynegetica = "over de jacht") en Arrian (150 nC Cynegeticus ="de jager"), borduren voort op het werk van Xenophon en beschrijven tevens een ander type hound, Vertragus, (een Keltisch ras) dat op zicht jaagt. Dat Xenophon dit type hound niet noemt, lijkt te wijzen op het feit dat hij deze honden niet kende.

Of de hounds van Xenophon daadwerkelijk de vroegste voorouders van de Beagle zijn is niet zeker; of deze hounds door de Romeinen in 42 nC op Engelse grond zijn gezet is ook niet zeker. Wel zeker is, is dat in de periode van Koning Canute (994-1035), er een speciale wet werd afgekondigd die het de gewone burger verbood om Windhonden te houden. Bovendien werd de toegang tot de Koningsbossen voor alle honden verboden (de Forrest Laws) met uitzondering van de "Velterer". Hiervan werd geschreven: "which the English call Langehren (long eared) for, manifestly, they are too small to do any harm". Waarmee schade aan 'de herten van de Koning' werd bedoeld. Hoe deze Velterer er precies uit zag is onbekend, maar de het lijkt te wijzen op de kleine hound.

Een ander type hound dat ook zeker van invloed is geweest op de ontwikkeling van de hound in Engeland is de Talbothound. Deze kwamen in 1066 mee met William de Conquerer . Deze grote, hoofdzakelijk witte, honden hebben aan basis gestaan van de Southern Hound - een hound die in de ontwikkeling van veel moderne hounds een belangrijke rol heeft gespeeld.

Ook al was William verknocht aan zijn Talbot-hounds, latere heersers van Engeland gaven de voorkeur aan de kleine hound en het is deze mogelijk deze koninklijke belangstelling geweest die de ontwikkeling van de Beagle verder heeft gestimuleerd. Van Edward II (1307-1327) is bekend dat hij, naast het schofferen van de adel, een groot hondenliefhebber was en een meute miniatuur-hounds (glove Beagles) onderhield.

The Southern Hound is thought to be an ancestor of the Beagle

Opvolgende heersers van Engeland bleven lange tijd trouw aan de kleine hound. Koning James I (1566-1625) gebruikte de naam Beagle ook als koosnaampje voor zijn vrouw en zijn beste vriend. Koning George IV (1769-1830) liet zich zelfs portretteren omringt door zijn pack "merry little hounds".

Maar het waren niet alleen koningen die iets hadden met de Beagle, ook de adel en heren van stand vonden in het jagen met Beagle meutes een bevredigend tijdverdrijf. Zo beschrijft Alexander Pope (1688-1744) hoe de heren met groot genoegen naar het veld trokken met "well-bred Beagles" om vervolgens te genieten van hun verrichtingen.

In dezelfde periode beschrijft William Somerville (1675-1742) hoe hij zijn Harriers kruiste met de Southern hound en de Cotswold Beagle fokte. Ook de North Country Beagle- slanker en sneller dan de Southern hound - moet ongeveer in deze periode zijn ontstaan. Het lijkt verder waarschijnlijk dat deze North Country Beagle ook wel werd aangeduid met "Northern Hound".

Early images of the Beagle (clockwise from top left): 1833, 1835, Stonehenge's Medium (1859, reusing Youtt's 1852 "Beagle" image) and Dwarf Beagle (1859).

Door de hele geschiedenis van de hounds komt de naam Beagle regelmatig voor en verwijst zonder uitzondering naar de kleine hound. Pas in 1879 geeft Stonehenge (pseudoniem van J.H. Walsh) hier een verklaring voor: "Any English hound less than 16 inches in height is ordinarily called a Beagle, but in reality there is a great a difference between a dwarf Harrier or Foxhound and a true Beagle, as between a Bloodhound and a Foxhound". En vervolgt met hoe een echte Beagle er uit zou moeten zien, namelijk:" A true Beagle is a miniature specimen of the old Southern hound, except that like almost all moderately reduced dogs as to size, he possesses more symmetry than his prototype.".

Wanneer we echt van de Beagle als ras kunnen gaan spreken is moeilijk aan te geven. Van de foxhound weten we dat het officieel registreren van stambomen begint in 1787. Dat wil niet zeggen dat men daarvoor geen afstammingsregistratie bijhield of geen pogingen heeft gedaan rassen (in de vorm van type hond) te beschrijven. De bekendste wetenschapper op dit gebied is Linneaus (1707-1778)

In totaal onderscheidt hij 36 typen, waarbij opvallend is dat de hound in slechts een beperkt aantal typen worden onderscheiden, te weten:

Canis gallicus of Hound

Canis scoticus of Bloedhond

Canis hibernicus of Irish Hound

Canis graius of Scotch Hunting Dog

Canis graius hirsutus of Rough Scotch Hunting Dog

Maar Linneaus was niet de eerste. In 1570 verscheen de eerste "echte" honden encyclopedie, genaamd "De Canibus Britannicus", van de hand van Johannes Caius (ook wel John Keys genaamd). Hierin noemt hij o.a. de Levararius die bij beschrijft als: "The dog that wins by scent and is always swift is unusually keen in following up the trail; this dog we call Sagax. Its hips protrude; its ears hang forwards its mouth;it is of moderate size". Sagax komt uit het Latijn en betekent "geurvermogen van de hond". Het was gebruikelijk dat namen werden afgeleid van typische kenmerken of eigenschappen. Bij de classificatie van Linneaus kwam daar ook nog een geografische component bij.

The Caynsham Foot Beagles (c.1885)

In 1803 verscheen de "Cynographia Britannica", een in kleur uitgevoerde hondenencyclopedie van de in Engeland voorkomende "rassen"; hierin staat ook een afbeelding van de Beagle waarbij het type nauwelijks afwijkt van de latere typen. Toch moeten we vooralsnog veronderstellen dat deze Beagles nog steeds niet tot een erkend raszuiver ras behoren of er zelfs model voor stonden. Beagles werden in packs gehouden, en iedere Huntmaster van zo'n pack had zijn eigen idee over hoe de honden er uit behoorden te zien. Of zoals William Somerville schreef: "a different Hound for every chase; selected with judgement".

In 1872 verscheen het boek "Dogs: Their Points, Whims, Instincts and Peculiarities", geschreven door Henry Webb. Dit is ook de eerste publicatie waarin een "standaard voor de Beagle" wordt beschreven. Deze standaard beschrijft hoe het "ras" zich heeft ontwikkeld en welke typen als het meest kenmerkende voor het ras gezien worden.

Met de opkomst van de georganiseerde kynologie kwamen ook de shows. In 1859 werd de eerste hondenshow gehouden, in Newcastle. En in 1873 werd de Kennel Club opgericht. De eerste registratie van Beagles op deze shows stamt uit 1884 - 9 stuks. Uiteraard waren er decennia eerder al hondenshows georganiseerd waar ook Beagles aan deelnamen, maar de meeste huntmasters moesten niets van het showgebeuren hebben

Het eerste stamboek waarin de Beagle voorkwam verscheen in 1892. Dit stamboek was feitelijk voor de Harrier, waar de Beagle beperkt als bijlage in voorkwam; 12 packs. Ondanks de vermelding dat dit de volledige basis van het ras zou zijn, waren er minstens twee keer zoveel Beagle-packs in Engeland. En van de packs die wel genoemd werden zou een groot aantal honden, kruisingen met andere hounds zijn.Opmerkelijk is dat er geen show-honden in dit stamboek waren opgenomen.

Door de afname van het aantal packs, de toenemende populariteit van de jacht te paard op de vos met Foxhounds en vervolgens de eerste en tweede wereld oorlog decimeerde het aantal Beagles in Engeland. De afnemende belangstelling voor de Beagle laat zich duidelijk illustreren door het aantal registraties bij de Kennel Club in 1950: 64 Beagles. Maar de Beagle zou opnieuw - zoals hij door de eeuwen heen een populaire metgezel is geweest - aan populariteit gaan winnen. Reeds in 1969 werden er bijna 4000 Beagles in het stamboek bijgeschreven.